Dit doe ik niet nog een keer…

“Dat wil ik ook doen!!” Roept zoonlief als we over het strand lopen. Ik kijk waar hij naar wijst en zie een zestal jetski’s tussen wat “bananen” en waterfietsen in de zee dobberen. In Nederland moet je hier minimaal 18 voor zijn en een vaarbewijs hebben. In het buitenland zijn de regels iets soepeler. Maar met zijn 14 jaar is hij hoogstwaarschijnlijk nog steeds te jong. Ik wil zijn pret niet direct bederven dus zeg dat hij later in de week zelf maar moet informeren naar de mogelijkheden. Dat later in de week werd diezelfde dag nog. Want als zoonlief iets in zijn hoofd heeft… Aangekomen bij de informatiestand krijgt hij te horen dat hij minimaal 16 jaar moet zijn. Beteuterd loopt hij achter ons aan naar het hotel.

“Waarom moet ik nu overal te jong voor zijn? Ik ben hier gewoon 16 hoor!” Probeert hij nog, al frunnikend aan zijn All-Inclusieve armband waarvan de kleur duidelijk aangeeft dat hij 16- is. Ik snap hem wel. Hij heeft de leeftijd zich niet meer bezig te willen houden met de zaken van een 12 jarige. Maar is nog te jong voor alles wat hem met 14/15 jaar wel boeit. Na een paar dagen kan ik zijn “leed” niet meer verdragen. Ik vraag hem of hij dan misschien samen met mij op een jetski wil. Want dan mag hij, gek genoeg, wel sturen. Dat was zo’n beetje het beste nieuws dat ik hem kon brengen, naast: de ijsjes zijn hier heel de week onbeperkt en gratis!

“Zo, ik ben best zenuwachtig!” Zegt zoonlief terwijl wij op het strand staan te wachten tot we opgehaald worden. Ik kijk hem vol ongeloof aan. “Ja van buiten doe ik wel stoer. Maar eigenlijk vind ik het heel spannend!” Ik moet lachen om zijn uitspraak. Dat ik zelf ook zenuwachtig ben omdat ik zoonlief de kans geef te spelen met mijn leven, vertel ik hem maar niet. De “Banaan” vaart voor en met nog een aantal gasten worden we één voor één afgezet op een jetski.

Er volgt een korte uitleg over ons vervoermiddel en het gebied waar we mogen varen voor we van start mogen. Zoonlief is zo zenuwachtig dat hij dit stukje alweer kwijt is. “Euh, hoe start ik dit ding?” Nog voor ik hem vertel waarmee hij gas moet geven zijn we weg. De eerste tien meter nog voorzichtig maar daarna gaat het gas los. We stuiteren over en door de golven. Mijn houding is alles behalve comfortabel. Even ben ik bang dat ik hem doormidden knijp met mijn armen om zijn middel en dat hij een gehoorbeschadiging oploopt door mijn aanhoudende gegil. Maar het deert hem niet. Volgens mij heeft ie niet eens meer in de gaten dat ik ook nog achterop zit.

Na twee rondjes stuiteren op het water roep ik hem terug. (Aaaaaah, laat die tien minuten al voorbij zijn. PLEASE!!) “Een beetje minder mag wel hoor!!” Het duurt even maar dan vind ik ook een redelijk normale houding zonder zoonlief fijn te knijpen. Het enige dat ik nu nog angstvallig vasthoud is mijn hartje. Dat fladdert in mijn borstkas bij iedere golf die we nemen. Wanneer de tijd voorbij is ontglipt mij een gelukkige (ik heb het overleefd) gil. Terwijl zoonlief er van baalt dat we terug moeten. Maar in de zijspiegel zie ik één grote bigsmile op zijn gezicht. Missie geslaagd, maar je snapt, dit doe ik niet nog een keer!

Advertenties

Een stapje terug…

De druk op de werkvloer neemt toe als er een aantal collega’s afvallen in verband met vakanties en ziekte. De overgebleven collega’s lopen allemaal wat harder om het vele werk wat zich nu langzaam aan het opstapelen is weg te kunnen krijgen. Tandje bij, wat vroeger beginnen, wat langer doorgaan. Als aan het einde van de werkdag alles gedaan is geeft dat alsnog een voldaan gevoel… Dat mijn ogen branden in hun kassen, mijn schouders en nek vast zitten en ik deukdijen aan het creëren ben, nemen we hierbij even voor lief. Deze chaos zal niet eeuwig aanhouden. De storm moet immers een keer gaan liggen.

De rit van het werk naar huis is te kort om mijn overvolle hoofd leeg te krijgen. De adrenaline van bepaalde deadlines giert door mijn lichaam en eenmaal thuis stuiter in nog even door. Vriendlief wordt gek van mijn neurotische en chaotische gedrag en stuurt mij resoluut de keuken uit als ik die binnen kom denderen. Wanneer ik na het eten naar stal vertrek, om daar af te koelen, is de rust nog niet wedergekeerd. Zelfs Poownie stuift naar de andere kant van de bak als ik hem gedag zeg. De energie die om mij heen hangt knettert letterlijk in de lucht. Het is vermoeiend.

Helaas is het flink mistig geworden waardoor een wandeling met Poownie er niet inzit. Het zicht is niet verder dan een paar meter. Ik laat de paarden in de paddock staan en begin direct aan de stallen. Ik ren heen en weer met kruiwagens mest, riek, hooivork, plakken stro, hooinetten en emmers water. De wind speelt met mijn haar en laat het voor mijn ogen dansen. Ik weet niet helemaal of het hierdoor komt dat ik wazig zie, of dat de vermoeidheid nu ook op gaat spelen.

Na een half uur stalklusjes gedaan te hebben loop ik naar de weg om te kijken of een wandeling, al is het maar een stukje, echt geen optie is. Ik ben het pad nog niet uit en wordt in duisternis gehuld. Het is net of ik in een groot zwart gat beland ben. Alles is donker. Niet een beetje, maar echt helemaal zwart. Ik tuur naar de overkant van de wei. Die is niet eens te zien. Ook het land van de buren is in complete duisternis gehuld. Ergens vaag in de verte zie ik een oranje gloed van de straatverlichting. Het ziet er spookachtig uit. Ik heb op dit moment geen helder zicht, geluiden neem is des te beter waar. Een hek klappert tegen de omheining en een boom kraakt gevaarlijk op een bries van de wind. De rillingen lopen over mijn rug. Voor het eerst in al die jaren dat ik met poownie hier sta, vind ik het een beetje eng.

Ik besef dat ik zelf een stap terug moet doen om de rust terug te krijgen en om mij niet gek te laten maken. Als alles aan kant is haal ik de paarden naar binnen. Ik besluit Poownie lekker op stal te gaan poetsen terwijl hij en zijn buurvrouw aan het eten zijn. Poownie, met zijn mooie witte teddyberen vacht heeft die middag heerlijk in de blubber liggen rollen. Ik heb dus wat te doen en focus mij geheel op het loskrijgen van alle aangekoekte modder en zand. Het had wat weg van de eerste les van The Karate kid “wax on, wax off”. Het monotone geknaag op het hooi was tevens een ideaal achtergrond geluid om nergens aan te denken en mijn hoofd even helemaal leeg te krijgen.

Ik heb geen idee hoe lang ik bezig ben geweest. Dankzij deze grondige poetsbeurt was Poownie weer zo goed als wit. Zelf zag ik er niet uit. Het stof en zand zat in mijn haar, mijn oren en mijn neus. Mijn gezicht had zwarte vegen en mijn kleding kon direct bij thuiskomst de wasmachine in. Ik had die avond andere plannen maar de dichte mist gooide roet in het eten. Achteraf gezien maar goed ook. Door denderen is namelijk makkelijker dan een stapje terug doen. Na een heerlijke douche zat ik doodmoe (maar rustig) op de bank te genieten van een kop thee en een voetmassage van vriendlief…

Herrie onder de motorkap…

“Hier, hier hier… Dat bedoel ik…”
“Wat?”
“Hoor je het niet?? Kijk, hier is het weer!!”
“Waar moet ik kijken??”
“Nee, luister nu, hoor je het niet? Gek wordt ik er van!”
“Ik hoor alleen jou!!”
Zegt vriendlief na mij geïrriteerd aangekeken te hebben. En bedankt!! Het geluid dat onder mijn auto vandaan komt lijkt nog het meest op ijzeren castagnetten die op hol geslagen zijn. Ik weet niet veel van auto’s maar ik weet wel dat ijzeren castagnetten niet onder een auto horen te zitten…

“Kijk, de rem doet ook raar.” Zeg ik terwijl ik keihard op de rem trap. Vanuit mijn rechter ooghoek zie ik vriendlief een halve meter naar voren schieten. “Zoooo… Met je rem is niks mis hoor. Met je gordels trouwens ook niet!! Gelukkig maar anders had je nu mijn oogballen van je voorruit kunnen schrapen!” We kijken elkaar een poosje stilzwijgend aan en moeten dan hard lachen. Het lachen is zo erg dat ik niet meer kan stoppen. De tranen staan inmiddels in mijn ogen. Het was een hilarisch gezicht. Vriendlief denkt daar iets anders over maar lacht uiteindelijk toch mee. Waarschijnlijk om mijn gehinnik.

Eerder op de dag had ik al neurotisch in het boekje zitten zoeken naar de betekenis van de extra “sfeerverlichting” die King Toet te pas en te onpas op zijn dashboard liet zien. Gezellig, zeker tijdens de donkere dagen. Maar nu het langer licht is, vind ik het overbodig. De garage had hem inmiddels al twee keer gereset aangezien de storing maar “klein” was. Dit hielp meestal een weekje voordat de sfeerverlichting zich weer liet zien.

De motorkap gaat open, alsof we er verstand van hebben. We gluren naar binnen en zien wat er hoogstwaarschijnlijk onder een motorkap hoort te zitten… Vriendlief draait aan een schroefje, plukt wat onder de kabels vandaan en komt vervolgens met de mededeling dat mijn ruitervloeistof bijna op is. Nadat het reservoir is bijgevuld besluiten we het hierbij te laten. Zelf repareren kunnen we toch niet. We weten niet eens wat er loos is. De volgende dag maak ik een afspraak bij de garage waar de Beetle Expert er naar mag kijken.

Na een dag zwoegen komt hij met de mededeling dat de “luchtmassameter” het begeven had. Dat zorgde ervoor dat King Toet af en toe een eigen leven ging leiden. Zo sloeg hij wel eens spontaan af, wilde hij niet starten, stotterde hij als ik “plankgas” wilde of gaf hij zelf gas als ik niks deed… Dat laatste was nog het meest enge van alles.

Bij de garage ontstond een, volgens zeggen, eerlijke ruil. Een rib uit mijn lijf voor de sleutels van King Toet. “Alles doet het weer naar behoren!” Was de mededeling. Ik startte de motor en verhip… de lampjes waren uit. De motor hoorde ik niet meer en hij reed weer als vanouds. Ook de daarop volgende dagen bleven de lampjes op het dashboard uit.

Nu King Toet gemaakt is kunnen we weer onbezorgd onze rondjes rijden. Heerlijk met het dak open. Dat durfde ik namelijk niet meer. Stel je voor dat er een storing op zou treden terwijl het dak open is en het zou gaan regenen… Ik zag het al helemaal gebeuren dat ik zou kunnen badderen in mijn eigen auto. Gelukkig is het niet zo ver gekomen. Dus kom maar op met het mooi weer, wij zijn er klaar voor.

Kleine held op sokken…

Nu buiten de temperatuur weer wat behaaglijker wordt, bevind Noa zich ook steeds vaker buiten. Bij mijn moeder thuis was ze eigenlijk altijd buiten. Alleen overdag bij slecht weer lag ze op zolder, bovenop de ketel, te knorren. De zolder bij ons vind ze minder aantrekkelijk. Wij hebben immers vloerverwarming EN een convectorput. Die bij koud en ijzig weer lekker aan staan. Deze dame ligt dan ook het liefst uitgebreid en ongegeneerd op het wildrooster (zoals wij dat noemen) of languit in de woonkamer op de vloer. (waar ze vooral niet in de weg ligt)

Naar buiten gaan was tot mijn verbazing niet iets waar Noa zich mee bezig hield. Mij achtervolgen door het hele huis, ons wakker miauwen in het weekend en flinke plukken haar achterlaten dan weer wel.

Maar nu het ijs uit de tuin is en het niet zo hard meer regent vraagt ze steeds vaker of ze naar buiten mag. Wij moedigen dit alleen maar aan. Persoonlijk lijkt het mij heerlijk om hele dagen in het park hier achter rond de lopen en op jacht te gaan naar muizen en vogels. (niet dat ze die mee naar huis moet nemen natuurlijk!!) Maar Noa was nog niet eerder klaar voor dit grote avontuur.

Noa is niet de enige kat in de buurt. Het wemelt van de poezenbeesten in de straat. Zo hebben we Wiskas, Snoes, Ollie Ollie,Kimmie en nog twee kleine krijgers waar ik de naam niet van weet. Stuk voor stuk katten die buiten komen, erg aanhankelijk en lief zijn. Behalve voor elkaar. Dan komt het “kattige” in ze naar boven.

Noa laat gemerkt of ongemerkt een geurspoor achter. Want sinds ze buiten komt is Ollie Ollie ook in onze achtertuin te vinden. Mijn kleine grote held op sokjes moet niets van Ollie hebben. Ollie vind het daarentegen prachtig om Noa de stuipen op het lijf te jagen en dan vooral door voor het raam naar Noa te staren terwijl ze op het “wildrooster” ligt te slapen. Ze kunnen minuten lang naar elkaar kijken zonder ook maar een vin te verroeren. Weliswaar met een dik stuk glas er tussen. Het enige wat hoorbaar is, is het klagelijke gemiauw. Ze zijn elkaar twee keer in de haren gevlogen. Maar dat liep met een sisser af. Geen grote plukken haar die door de tuin heen vlogen of happen uit oren.

Zelf heb ik de indruk dat Ollie alleen maar vriendschap wil komen sluiten. Een maatje zoekt om lekker mee door de straten te struinen of om samen te luieren in de tuin. Volgens mij is het nog een jong beestje en heeft hij niet veel kwaads in de zin. Noa denkt daar heel anders over. Ze is immers al 10 jaar en heeft in haar leventje al het nodige mee gemaakt. Spelen en optrekken met andere katten was iets wat ze in haar jeugd graag deed. Nu ze wat ouder is speelt ze het liefst met touwtjes (die ik dan door het huis moet trekken zodat de achtervolging vanuit haar mand ingezet kan worden) balletjes (die ik heen en ook weer terug moet rollen) of mijn voeten (gelukkig alleen wanneer ik onder een deken lig). Toch heb ik de stille hoop dat ze in de zeer nabije toekomst vriendjes wordt met één van de andere katten uit de buurt.

CoCo is een ander verhaal. De angst die ze eerst voor hem had wordt door nieuwsgierigheid verdreven. Steeds vaker zie ik haar naast of voor de kooi zitten met niets anders dan aandacht voor CoCo. Dit kon natuurlijk niet uitblijven. CoCo daarentegen laat de zonnebloempitjes niet zomaar uit zijn kooi kijken en vind het fantastisch om de confrontatie aan te gaan. Zelf ben ik daar niet zo blij mee omdat ik niet weet wie van de twee de grootste schade aan kan brengen bij de ander… Hoewel een knip met mijn vingers Noa duidelijk maakt dat dit gedrag niet gewenst is (ze loopt dan al klagelijk miauwend bij de kooi weg alsof ze zich betrapt voelt) hoop ik toch echt dat ze de buitenwereld leuker gaat vinden dan CoCo en zijn kooi.

Hopelijk brengt de lente ook wat meer lef voor Noa…

 

Brutus…

Zoals sommige lezers/vrienden wel weten behoort auto rijden nou niet bepaald tot mijn favoriete bezigheid. Toegegeven, ik vind het erg makkelijk om zittend vervoerd te worden van A naar B, zonder daarbij zeiknat te regenen, van de weg af te waaien of tijdens een conversatie te moeten gillen naar de persoon die zich achter of voor mij bevind op de fiets, scooter of brommer. Eigenlijk ben ik dus gewoon een beetje lui wat dat betreft. Het niet-naar-mijn-zin-hebben-in-een-auto wordt allemaal nog eens benadrukt als ik naast iemand zit, mijn vriend in de meeste gevallen, die auto rijden wel helemaal dolletjes vindt en hierbij dan ook nog eens zijn rechtervoet niet geheel onder controle heeft. Hoe harder hoe beter. Menig moment heb ik met zweethandjes naast hem gezeten in de hoop dat de mensen op de middenbaan ons met deze snelheid aan zagen komen en niet hun fiat panda uit het jaar nul opeens naar links zouden sturen. Met het gevolg dat we de bestuurder uit het handschoenenkastje van Brutus (zo heette deze auto) konden peuteren. En dan heb ik het nu nog over het minst erge geval.

Nee, auto rijden is niet iets waar je mij blij mee kunt maken.

Zo reden wij vorig jaar zomer richting Burg Haamstede. Alwaar mijn schoonouders ons hadden uitgenodigd om gezellig te komen eten. Het feit dat jij dit verhaal aan het lezen bent bewijst dat ik de rit heb overleefd.

Tijdens een gezellige conversatie over koetjes en kalfjes ving mijn oor een vaag gezoem op. Ik ben allergisch voor gezoem en geratel dus spitste ik mijn oren om te achterhalen waar dit rare geluid vandaan kwam. Dit geluid, wat al snel gepaard ging met een rare keboink keboink, kwam aan mijn kant vandaan. Ergens ter hoogte van het rechter voorwiel. Na een fractie van een seconde begon ook de voorkant van de auto van links naar rechts te schudden, terwijl wij rechtdoor reden op een goed geasfalteerde weg. Iets klopte hier niet. Ik had het gevoel als of ik op een centrifugerende wasmachine zat die aangedreven werd door een kudde op hol geslagen paarden. Niet één maar een stuk of tien. Het geluid nam in volume toe evenals het geshake van links naar rechts. Ik weet niet veel van auto’s maar ik weet wel dat dit niet tot de standaard geluidsuitrusting van Brutus hoorde. Ietwat benauwd keek ik mijn vriend aan, die ook niet zo goed wist wat hij hier mee aan moest. Het klamme zweet brak mij hierdoor nog meer uit. Door een aantal keer flink hard te remmen (thank god voor de gordel die ik om had) en het doen van de elandproef op een verlaten stuk parkeerplaats (wat was ik blij dat ik nog niets gegeten had) hield het piepen en stuiteren op. De rest van de rit deed Brutus wat er van hem verwacht werd. Rijden, zonder fratsen. Mijn hartslag was enigszins weer stabiel toen we bij mijn schoonouders aan kwamen en ook mijn zweethandjes waren aardig opgedroogd.

Eigenlijk waren we de ellendige rit van de heenweg een beetje vergeten toen we op de terugweg weer verast werden door een kudde op hol geslagen paarden en een centrifugerende motorkap. Ik besloot internet te raadplegen enerzijds om iets om handen te hebben en anderzijds om er achter te komen wat het eventueel zou kunnen zijn. Volgens het autoforum zou het heel goed de homokineet/aandrijfasstofhoes (of iets dergelijks) kunnen zijn. Het geluid wat op internet omschreven werd kwam heel goed overeen met het geluid wat Brutus produceerde. Volgens de forumleden: “Je kunt er best nog wel even mee doorrijden….” Oh ja natuurlijk en wat gebeurd er als iets breekt/knapt/scheurt?? Daar heb ik maar niet al te lang bij stil gestaan. Na ongeveer 45 minuten doodsangsten uitgezeten te hebben had Brutus ons al hortend en stotend tot aan de deur van onze woning gebracht. Waar ik hem overigens erg dankbaar voor was. Ik ging er namelijk vanuit dat hij ons ergens ter hoogte van Ooltgensplaat (of al places) en Willemstad in de steek zou laten. Ik had mij voorgenomen om niet meer in te stappen eer hij nagekeken en gemaakt was. Niets ten nadele van Brutus maar mijn gemoedstoestand kan deze vorm van stress niet zo goed aan. Sterker nog, ik leef er spontaan een jaar korter door.

De volgende dag werd Brutus naar de garage gebracht voor een grondige inspectie. Waar het nou precies aan gelegen heeft weet ik niet meer. Maar ik was geenszins van plan nog één keer in die auto te stappen. Hoe zielig vriendlief ook keek, ik weigerde.

Dus besloot hij zijn favoriete stuk scheurijzer, een Alfa Romeo GTA in te ruilen voor een burgerlijke, in zijn ogen saaie, mijn-ogen-zitten-niet-tegen-de-achterkant-van-mijn-schedel-gedrukt-als-vriendlief-optrekt– auto. Een Audi A4. Iets waarin ik mij een stuk beter kan vinden.

Nu alleen nog een nieuwe naam verzinnen. Mijn vriend kwam niet verder dan Softie…

De deur…

 

Ik vraag mij af waar ik ben. Ik herken niets. Ik hoor niets en ik zie na genoeg niets. Het is zo donker dat ik de muren bijna niet van elkaar kan onderscheiden. Een paar seconden lang vraag ik mij af hoe ik in deze ruimte terecht gekomen ben. Mijn geheugen laat mij in de steek. Wat vervelend dat dit uitgerekend nu moet gebeuren. Het is een beetje vaag, als of er een mist in mijn hoofd hangt die maar niet op wil trekken. Omdat het mij niet wil lukken mijn eigen vraag te beantwoorden sta ik op van waar ik voor mijn gevoel in één keer opgedoken ben en loop dan op de tast door de ruimte. Mijn ogen beginnen te wennen aan het duister en langzaam zie ik dat ik mij bevind in een tientallen meters lange gang met aan het einde iets wat lijkt op een deur…

 

De deur heeft mijn volledige aandacht. Als een magneet word ik er naar toe getrokken. Niet wetende wat er zich aan de andere kant van de deur moet bevinden. Met mijn hand aan de muur loop ik voorzichtig in de richting van de deur. De stenen van de muur voelen klammig aan en zijn her en der bedekt met mos. Ik moet er maar niet aan denken wat het anders zou kunnen zijn. Het lijkt wel of ik in een ondergrondse gang of tunnel ben. Ik sta stil en kijk om mij heen. Mijn nek haren gaan abrupt omhoog. Ben ik niet alleen? Ik draai mij om. Het enige wat ik op dat moment zie is een nog langere en vooral donkere tunnel, hij lijkt bijna oneindig. Was die tunnel er net ook al? Heb ik daar net ook gelopen? Wederom krijg ik geen antwoord op mijn eigen vragen. De tunnel is, naar het lijkt, verlaten. Ik schrik op en vraag mij af wat ik hoor. Het is mijn eigen ademhaling en het bloed wat door mijn lichaam suist. Ik roep mijzelf tot de orde en mijn stem echoot na in de lange gang om dan langzaam weg te sterven in het duister. Koude rillingen lopen over mijn rug. Ik moet hier weg voor het duister mij ook opslokt. Ik haal nog eens diep adem en voetje voor voetje schuifel ik verder. Het zand van de bodem knispert en kraakt onder mijn voeten. Het pad naar de deur loopt wat naar beneden af. Ik kijk nog eens goed naar de deur en zie dan dat er een flauw lichtschijnsel onder de deur door schijnt. Dat is vast de uitgang. Opgelucht loop ik iets sneller door.

Ik bekijk de deur terwijl ik er op af loop. Het is een oude houten deur die in een boog is gemonteerd. Het heeft geen normale klink maar een rond smeedijzeren handvat. De deur oogt wat groenig, voor zover ik de kleuren kan onderscheiden in het duister. Het lijkt of de verf er langzaam van af bladdert, onder de groenige laag is het blanke hout zichtbaar. De deur is zeker al heel wat jaren oud. Wat gek dat al deze details zo tot mij door dringen.

Nog vijf passen dan ben ik bij de deur. Ik sta abrupt stil. Maar wat nou als deze deur niet de deur naar de uitgang is? Wat nou als er zich iets achter bevind waar ik niet tegen opgewassen ben? Nog meer “wat alsen” dringen zich aan mij op. Het zweet breekt mij aan alle kanten uit en tegelijkertijd heb ik het zo vreselijk koud. Alleen rustig en rationeel denken kunnen mij nog helpen. Jammer, maar daar is het nu te laat voor. In een vlaag van paniek wil ik rennen. Alleen waarheen? Terug door de tunnel of door de deur? Ik kies voor de laatste optie. Als van buiten mij zelf zie ik hoe mijn hand trillend het smeedijzeren handvat vast pakt. Het ijzer voelt koud en zwaar in mijn hand. Met mijn hart in mijn keel duw ik tegen de deur bang voor wat ik tegen zou kunnen komen. Precies op dat moment hoor ik een oorverdovend lawaai. Ik schrik hier zo van dat ik alleen nog maar wil rennen weg van hier, weg van die deur…

Ik beweeg al mijn ledematen maar kom maar niet vooruit. Het enige wat vooruit komt is mijn hart die op hol geslagen is en voor mijn gevoel mijn lichaam uit komt zetten. Heel fijn, heb ik weer denk ik nog. Heerst er paniek krijg ik mijzelf niet van die plek en val ter plekken neer omdat mijn “hart” zojuist de benen heeft genomen. Het oorverdovende geluid houd maar aan.

Gedesoriënteerd open ik mijn ogen. Even weet ik wederom niet waar ik ben. Dan begrijp ik dat de herrie die ik hoor de wekker is. Ik sla hem iet wat geïrriteerd uit. Een droom? Een nachtmerrie? Eén ding weet ik wel, ik moet echt opzoek naar ander leesvoer. Een verhaallijn welke mijn hersens minder snel mee uit wandelen neemt als ik er zelf even geen controle over heb.

De mist in mijn hoofd klaart langzaam op en laat mij achter met een tweetal vragen: “Waar was ik nou uiteindelijk en wat zat er achter die deur??”