Herrie onder de motorkap…

“Hier, hier hier… Dat bedoel ik…”
“Wat?”
“Hoor je het niet?? Kijk, hier is het weer!!”
“Waar moet ik kijken??”
“Nee, luister nu, hoor je het niet? Gek wordt ik er van!”
“Ik hoor alleen jou!!”
Zegt vriendlief na mij geïrriteerd aangekeken te hebben. En bedankt!! Het geluid dat onder mijn auto vandaan komt lijkt nog het meest op ijzeren castagnetten die op hol geslagen zijn. Ik weet niet veel van auto’s maar ik weet wel dat ijzeren castagnetten niet onder een auto horen te zitten…

“Kijk, de rem doet ook raar.” Zeg ik terwijl ik keihard op de rem trap. Vanuit mijn rechter ooghoek zie ik vriendlief een halve meter naar voren schieten. “Zoooo… Met je rem is niks mis hoor. Met je gordels trouwens ook niet!! Gelukkig maar anders had je nu mijn oogballen van je voorruit kunnen schrapen!” We kijken elkaar een poosje stilzwijgend aan en moeten dan hard lachen. Het lachen is zo erg dat ik niet meer kan stoppen. De tranen staan inmiddels in mijn ogen. Het was een hilarisch gezicht. Vriendlief denkt daar iets anders over maar lacht uiteindelijk toch mee. Waarschijnlijk om mijn gehinnik.

Eerder op de dag had ik al neurotisch in het boekje zitten zoeken naar de betekenis van de extra “sfeerverlichting” die King Toet te pas en te onpas op zijn dashboard liet zien. Gezellig, zeker tijdens de donkere dagen. Maar nu het langer licht is, vind ik het overbodig. De garage had hem inmiddels al twee keer gereset aangezien de storing maar “klein” was. Dit hielp meestal een weekje voordat de sfeerverlichting zich weer liet zien.

De motorkap gaat open, alsof we er verstand van hebben. We gluren naar binnen en zien wat er hoogstwaarschijnlijk onder een motorkap hoort te zitten… Vriendlief draait aan een schroefje, plukt wat onder de kabels vandaan en komt vervolgens met de mededeling dat mijn ruitervloeistof bijna op is. Nadat het reservoir is bijgevuld besluiten we het hierbij te laten. Zelf repareren kunnen we toch niet. We weten niet eens wat er loos is. De volgende dag maak ik een afspraak bij de garage waar de Beetle Expert er naar mag kijken.

Na een dag zwoegen komt hij met de mededeling dat de “luchtmassameter” het begeven had. Dat zorgde ervoor dat King Toet af en toe een eigen leven ging leiden. Zo sloeg hij wel eens spontaan af, wilde hij niet starten, stotterde hij als ik “plankgas” wilde of gaf hij zelf gas als ik niks deed… Dat laatste was nog het meest enge van alles.

Bij de garage ontstond een, volgens zeggen, eerlijke ruil. Een rib uit mijn lijf voor de sleutels van King Toet. “Alles doet het weer naar behoren!” Was de mededeling. Ik startte de motor en verhip… de lampjes waren uit. De motor hoorde ik niet meer en hij reed weer als vanouds. Ook de daarop volgende dagen bleven de lampjes op het dashboard uit.

Nu King Toet gemaakt is kunnen we weer onbezorgd onze rondjes rijden. Heerlijk met het dak open. Dat durfde ik namelijk niet meer. Stel je voor dat er een storing op zou treden terwijl het dak open is en het zou gaan regenen… Ik zag het al helemaal gebeuren dat ik zou kunnen badderen in mijn eigen auto. Gelukkig is het niet zo ver gekomen. Dus kom maar op met het mooi weer, wij zijn er klaar voor.

Advertenties

Een onvermijdelijke botsing…

Het is vrijdagavond rond de klok van 22.00 uur. Het is smerig en koud weer. Ik rij van stal naar huis en ben slecht gehumeurd. De paarden zijn elkaar in de haren gevlogen en mijn arme poownie heeft het onderspit moeten delven. Het beest zag er niet uit en was flink toegetakeld. Mijn gedachten dwalen af en zijn opzoek naar een oplossing voor dit probleem. Dan opeens zie ik hem staan. Ik weet dat ik niet meer kan remmen en uitwijken naar links of naar rechts zou zeker een verpletting met de banden van King Toet betekenen of een botsing met de betonnen muur van het tunneltje tot gevolg hebben. Ik kom te snel dichtbij. Zijn blik spreekt boekdelen en dat is het enige dat ik op dat moment kan zien als ik over hem heen rijd. Dat, en zijn zwarte kraaloogjes. We weten alle twee dat ik hem ga raken. Op tijd remmen lukt niet meer maar toch rem ik zo hard ik kan af. Ik hoop dat het beestje klein genoeg is om onder de auto door te passen. Ik hoor een harde klap en weet dat het laatste wat ik dacht niet is gelukt.

Mijn hart zit in mijn keel en het zweet breekt mij aan alle kanten uit. Ik zet de auto boven aan de dijk en ren terug naar het tunneltje om te kijken welke schade ik heb aangericht. Daar ligt hij, klein en hulpeloos met zijn kopje achterstevoren. Het is een waterkipje. Er vormt zich een brok in mijn keel. Het is mijn schuld dat hij daar zo ligt. Ik loop snel op hem af om te kijken of ik hem nog kan redden. Hij knippert met zijn oogjes en ademt zwaar. Godzijdank leeft hij nog. De vraag is voor hoelang…

Ik haak mijn handen onder zijn donzige lijfje en grijp hem van de grond. Als we hier blijven staan worden we straks alle twee plat gereden. Op het moment dat ik hem optil maait hij met zijn grote poten om zich heen. Ik schrik mij rot bij de aanblik van zijn grote klauwen. Zijn nagels zijn vlijmscherp en zodra er één in aanraking komt met mijn vinger moet ik mij verbijten om niet te vloeken van de pijn. Zijn poten zijn in ieder geval niet gebroken.

Ik neem het schepseltje mee naar de eerste de beste lantaarnpaal zodat ik wat meer licht heb om hem te onderzoeken. Zijn poten doen het in ieder geval. Toch bekijk ik ze, iet wat gebiologeerd, om te zien of er echt niks aan mankeert. Als zijn grote grijpers in orde blijken te zijn doe ik de vleugeltest. Ik vouw eerst links en dan rechts helemaal uit en zoek naar mogelijke afwijkingen. Die zie ik niet. Zijn kop heeft hij zelf alweer in de plooi gebracht. Ik voel aan zijn nek en zijn hoofd en constateer dat alles, aan de buitenkant, nog zit waar het moet zitten. Als laatste check ik zijn snavel. Deze is ook niet gebroken. Alles lijkt het nog te doen. Ik houd het diertje een minuut of tien op schoot en praat er tegen. Meer om mijzelf op mijn gemak te stellen. Na enige tijd voel ik hem weerstand bieden. Hij begint te maaien met zijn poten en wil weg. Tijd om hem los te laten en te zien op hij weer op eigen benen kan staan.

Omdat ik niet wil dat hij straks weer geplet wordt neem ik hem mee naar een slootje met een strook gras. Daar zet ik hem neer en doe zelf een paar stappen achteruit om hem niet op te jagen. Hij kijkt wat schichtig om zich heen. Even ben ik bang dat ik toch met hem naar de dierenarts moet. Maar dan strekt hij zijn nek en draait zijn kop naar links en naar rechts. Zoals wij zouden doen tijdens een warming-up voor het sporten. Vervolgens doet hij een paar wankele pasjes en schud zich daarna helemaal uit. Afgezien van een shock heeft hij er klaarblijkelijk niks aan over gehouden. Mijn weemoedige gevoel begint langzaam weg te zakken. Ik spreek hem toe dat ik hem niet meer op de straat tegen wil komen en loop daarna terug naar mijn auto.

Als ik de volgende morgen de gordijnen van de woonkamer open, staat er een waterkipje in het midden van de tuin. Vastberaden loopt hij op mij af. Ik vraag mij af wat dat beest in mijn tuin doet. Wij hebben namelijk alleen maar een terras en afgezien van een mereltje of een mus-achtige-vogel zijn er zelden gevleugelde vrienden te vinden. Zelfs Uk vind het raar. Als ik de deur open maak kiest hij eieren voor zijn geld. Hij draait zich om en klautert onhandig over de schutting van de buren. Verbouwereerd blijf ik achter. “Hij komt je vast bedanken dat je hem gisteren niet aan zijn lot hebt overgelaten!” Zegt Uk, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ik krab mij achter mijn oren en moet daarna lachen. “Ja, dat, of hij komt wraak nemen!” Zeg ik. “Maar laten we maar van jouw opmerking uitgaan.” Zeg ik er achteraan.

Als ik later op de dag een bezoek aan stal ga brengen stop ik toch even bij het slootje. Ik speur de hele waterkant af en loop naar de plaats waar ik hem gisteren heb achter gelaten. Het waterkipje is nergens te bekennen. Gelukkig maar…